sma(a)k
liever één zoen op je wang
dan tien met veel gezucht
dus plant ik in de vlucht
nog gauw mijn lippen
naast de jouwe
de hele dag door blijf ik
jouw sproeten proeven
je bent een vrouw met smaak
liever één zoen op je wang
dan tien met veel gezucht
dus plant ik in de vlucht
nog gauw mijn lippen
naast de jouwe
de hele dag door blijf ik
jouw sproeten proeven
je bent een vrouw met smaak
tussen lange zomerzuchten
en het hoge gras
mag mijn hand wel even
ploegen in haar hart
drachtig van verwachting
barst de grond haast open
met krullende kiemen
oudrode klaprozen
en daartussen zaait ze mij
- kan ze nog meer kussen oogsten
(i.) dat ik aspiraties heb
van een boomwortel
die harde wintergrond doorboort
mij vast te klampen
in kluiten van dromen
en dat ik diep wil graven
om hoog te vliegen
(ii.) dat graag zien en blijven
meer voeten in de aarde hadden
dan hoofden in de ijle lucht
het zou ons menig klucht besparen
mijn schrijven raakt geen grenzen meer
het heeft geen voeten in de grond
ik ben nochtans een wroeter maar
misschien dan toch geen kunstenaar
wat wil dan nog geschreven worden
duisternis met krot en mot verslonden
of uit de lucht gegrepen wonden
die nu al lang vergeten zijn
maar is het toegestaan toch te grijpen dan
verwoord ik voorzichtig jouw vogelvlucht
hoe ik als prooi van de aarde word gerukt
en dat je mij het zweven niet verwijten kan
mijn schrijven mag dan wel pover lijken
mijn hart is vaart en vlam
Ik kweek beelden in mijn hoofd vanavond; herinnering aan een voorbije dag.
De favorieten mogen op het lijstje:
4.
‘s morgens is het bed gegroeid
en deken is er ook te veel
dan klopt de dag de kussens op
en is er tijd om uit te rekken
-ik denk dat ik toch even nog wat dichter kruip-
3.
ik beleef je zijdelings en
soms hand in hand
je ogen moet ik zoeken
in weerspiegeling
-je bent zo mooi-
2.
de vage kromming van jouw lippen
die ik voor een glimlach hou
en hoe ik die proef op mijn netvlies
als zware zomerlucht
-het is nochtans winter-
1.
je schopt mijn voeten onderuit
keer op keer voel ik weer
die vrije val vanbinnen
en vlinders in mijn buik
-vluchtig worden er nog wat clichés gebrabbeld-
I.
vouw ik één voor één
je vingers open tot de
plooien in je hand
onontgonnen land
waar de waarheid naakter
maar onleesbaar is
II.
mager kleed je je
met vel over been en
gevoel schaars gezaaid
maar ik hou van je
wijsheden als luchtbellen
en wereld verdraaid
III.
dieren, zo zeg je
zijn te weinig. mensen
zijn dan weer te veel
en ik, zo zeg je
ik ben God en ook alleen
ik mag - jij moet mij
Maar hoe kan ik je ontdekken als ik je niet in de ogen durf te kijken?
Je schrikt me af omdat je zo niet-als-mij bent. Omdat je mij een zwarte spiegel voorhoudt die mij confronteert met mijn zwakheid. Omdat ik jou niet zie, maar je maskers. Omdat ik mezelf zie in jou, maar dan een “ik” waarvan ik het bestaan amper ken. Daarom kijk ik niet. Ik durf het niet. Ik kan je enkel schrijven.
Of ik nog verhalen schrijf?
Ik weet het niet. Ik schrijf zo weinig tegenwoordig, en al helemaal geen geschiedenis.
Maar jij…jij schrijft spottende mysteries met je lach. Jij schrijft schaamte en verlangen in mijn geest.
Ik heb geen vat op je. Je zegt dat je niet om kan met verwachtingen, maar jouw verschijning legt de lat zo hoog. En wat ik over je weet, leerde ik uit je verhullende schrijfsels of uit de verhalen die men mij vertelt. Er wordt wel eens gefluisterd dat jij het glazen muiltje bent dat iedereen wilt passen. Er wordt wel eens gezegd dat je je bereidwillig om elke voet sluit. Dat je draait met de richting van de wind. En iedereen vindt in jou een spiegel. Dat heb ik wel eens gehoord, in de gangen van mijn leven. Maar wie kent de waarheid, en zeker als die waarheid jou zou bevatten moeten?
Ik begrijp wel dat het moeilijk is om te proberen ieders sleutel te zijn. Dat je ook niet leven kan, wanneer je steeds ambieert de vorm aan te nemen van iedere voorbijganger z’n verlangens. Wanneer je je eigenheid prostitueert.
Het spijt me als jouw plaats in mijn leven gelijkaardig is aan de plaats die je inneemt voor deze gulzigen. Ik wil niet betalen voor diensten verleend door maskers. Maar je bent geen sleutel voor mij, geen zuivere reflectie en geen ongeschreven boek. Je bent een deur, een duistere (geen heldere) spiegel en een muze. Als ik je aankijk zie ik een donkere afbeelding van mezelf, tegen de achtergrond van jouw stralende verschijning. Een andere keer zie ik jouw gedaante omstrengeld door schaduwlichamen die wellustig je silhouet aftasten en hoor ik een verstikkend gefluister.
Ik kan niet met je om, omdat ik niet om kan met mezelf. Daarom wou ik soms dat we onszelf konden verliezen in een innige kus. Want deze stilte lijkt een beetje op dat breekbare moment voor een eerste kus. Deze stilte schreeuwt om doorbroken te worden.
Ik zou een beetje van mezelf in jou willen planten. Je lippen zachtjes af willen tasten, opdat ik je zou leren kennen in de groefjes die je daar verbergt. Ik wou dat we zo’n stukje zonde konden delen, een miniem moment van verlichting. Dat ik je in mijn armen kon houden, en je troosten – niet mezelf. Dat ik jouw wonden mocht likken en concluderen dat jouw bloed niet zo anders smaakt als het mijne. Dat ik poëzie mocht schrijven op jouw naakte rug, en de grenzen van jouw warmte af mocht tasten met mijn vingertoppen. Dan zou jouw geest zich in strengen om de mijne winden en onze zielen zouden vrijen met elkaar. Extase zou zich nestelen tussen ons in. We zouden elkaars gedachten zijn, voor even.
Misschien zou die spiegel dan een breekbaar laagje ijs worden, klaar om weg te smelten. Misschien draag je dan nog wel een masker, maar een masker van jezelf.
Maar misschien ook zou je lach mij dan een volgende keer niet enkel doen struikelen, maar mij ook de grond in doen zakken van schaamte.
Schaamte om mezelf
en
schaamte om jouw brutaliteit
die nooit de mijne kan zijn.
Het stemt me droef dat ik niet degene zal zijn, die je hand vast houden zal op je sterfbed. Het stemt me droef dat ik niet diegene zal zijn die bij je is, als je nieuw leven baart. Maar in welk hokje kan ik je plaatsen, zonder mijzelf te verliezen? Zou jij misschien ooit al die jaren durven begraven, op een pad dat weg loopt van mij? Zou jij misschien ooit mij verbijsterd achter kunnen laten, en verworden tot enkele sporadische postkaarten die ik vinden zal in de brievenbus van mijn huis. Mijn koude huis waarin ik een leven leid waarin ik mezelf niet herken, omdat ik jou niet meer ken. Omdat jij een onbekende bent geworden, een mysterieus figuur van op de vergeelde postkaarten, die ik bewaren zal in een oude schoendoos in een houten kast. Postkaarten die ik op tijd en stond zal open leggen op een tafel voor mij, om ze na een aantal uren verdwaasd weer op te bergen. Verdwaasd omdat ik niet meer weet waar ik mee bezig ben. Omdat ik niet meer weet wie die figuur van op die postkaarten is, en hoe ik aan die postkaarten ben gekomen. Omdat ik niet meer weet wie je bent, en niet meer weet wie ik ben. Omdat ik niet meer weet wie wij waren.
Dan berg ik ons terug op in de kast, en slenter naar de zetel aan het raam om naar voorbijgangers te kijken.
Nu zit ik achter mijn laptop en zelfs die schreeuwt: “Inspiratie! Inspiratie! Aspiraties! Dompel jezelf onder in de wereld van technisch wonder en verlies jezelf.” Ik wil duidelijkheid scheppen in mezelf. Je mag niet denken te weten wie ik ben. Ik denk niet te weten wie jij bent, ookal denk jij misschien wel dat ik dat denk. Maar ik was gestopt met denken. Of ik probeerde dat toch. Ik denk dus ik ben. In elkaars gedachten zijn wij niet wie we zijn, want we denken elkaar en geven elkaar een fout bestaan.
Dan wis ik je nummer, maar niet mijn geheugen.
Straks deel ik je deze gedachten mee. Misschien denk je dat ik hier teveel in opga, misschien wis je mijn woorden voor je ze hebt gehoord, misschien geloof je niet wat ik geloof.
Filosofie is verduidelijking, en ik ben een filosoof (dat houd ik mij toch voor).
Maar doe een beetje moeite en lees mij zoals ik ben. En schrijf mij eens als alles nog slechts schaduw onder de zon is. Ik ben het beu om spijt te hebben, maar toch spijt het mij zeer dat woorden veel te vaak verkeerd worden gehoord.
verstikken
benauwen, onderdrukken, smoren, versmoren, versmachten, smachten, stikken, overwoekeren, uitblussen, vergaan, verkroppen, verrotten
Zo zit dat dus.
Het is weer vakantie. Dat betekent tijd voor mezelf. Véél tijd voor mezelf. Té veel tijd voor mezelf.
Kan iemand op mezelf komen letten, en me tegen haar beschermen?