Spiegelmeisje
Maar hoe kan ik je ontdekken als ik je niet in de ogen durf te kijken?
Je schrikt me af omdat je zo niet-als-mij bent. Omdat je mij een zwarte spiegel voorhoudt die mij confronteert met mijn zwakheid. Omdat ik jou niet zie, maar je maskers. Omdat ik mezelf zie in jou, maar dan een “ik” waarvan ik het bestaan amper ken. Daarom kijk ik niet. Ik durf het niet. Ik kan je enkel schrijven.
Of ik nog verhalen schrijf?
Ik weet het niet. Ik schrijf zo weinig tegenwoordig, en al helemaal geen geschiedenis.
Maar jij…jij schrijft spottende mysteries met je lach. Jij schrijft schaamte en verlangen in mijn geest.
Ik heb geen vat op je. Je zegt dat je niet om kan met verwachtingen, maar jouw verschijning legt de lat zo hoog. En wat ik over je weet, leerde ik uit je verhullende schrijfsels of uit de verhalen die men mij vertelt. Er wordt wel eens gefluisterd dat jij het glazen muiltje bent dat iedereen wilt passen. Er wordt wel eens gezegd dat je je bereidwillig om elke voet sluit. Dat je draait met de richting van de wind. En iedereen vindt in jou een spiegel. Dat heb ik wel eens gehoord, in de gangen van mijn leven. Maar wie kent de waarheid, en zeker als die waarheid jou zou bevatten moeten?
Ik begrijp wel dat het moeilijk is om te proberen ieders sleutel te zijn. Dat je ook niet leven kan, wanneer je steeds ambieert de vorm aan te nemen van iedere voorbijganger z’n verlangens. Wanneer je je eigenheid prostitueert.
Het spijt me als jouw plaats in mijn leven gelijkaardig is aan de plaats die je inneemt voor deze gulzigen. Ik wil niet betalen voor diensten verleend door maskers. Maar je bent geen sleutel voor mij, geen zuiver reflectie en geen ongeschreven boek. Je bent een deur, een duistere spiegel (geen helderee) en een muze. Als ik je aankijk zie ik een donkere afbeelding van mezelf, tegen de achtergrond van jouw stralende verschijning. Een andere keer zie ik jouw gedaante omstrengeld door schaduwlichamen die wellustig je silhouet aftasten en hoor ik een verstikkend gefluister.
Ik kan niet met je om, omdat ik niet om kan met mezelf. Daarom wou ik soms dat we onszelf konden verliezen in een innige kus. Want deze stilte lijkt een beetje op dat breekbare moment voor een eerste kus. Deze stilte schreeuwt om doorbroken te worden.
Ik zou een beetje van mezelf in jou willen planten. Je lippen zachtjes af willen tasten, opdat ik je zou leren kennen in de groefjes die je daar verbergt. Ik wou dat we zo’n stukje zonde konden delen, een miniem moment van verlichting. Dat ik je in mijn armen kon houden, en je troosten, niet mezelf. Dat ik jouw wonden mocht likken en concluderen dat jouw bloed niet zo anders smaakt als het mijne. Dat ik poëzie mocht schrijven op jouw naakte rug, en de grenzen van jouw warmte af mocht tasten met mijn vingertoppen. Dan zou jouw zich in strengen om de mijne winden en onze zielen zouden vrijen met elkaar. Extase zou zich nestelen tussen ons in. We zouden elkaars gedachten zijn, voor even.
Misschien zou die spiegel dan een breekbaar laagje ijs worden, klaar om weg te smelten. Misschien draag je dan nog wel een masker, maar een masker van jezelf.
Maar misschien ook zou je lach mij dan een volgende keer niet enkel doen struikelen, maar mij ook de grond in doen zakken van schaamte.
Schaamte om mezelf
en
schaamte om jouw brutaliteit
die nooit de mijne kan zijn.