brief aan een vlindertje
Mi mariposíta,
ik schrijf je deze brief omdat ik aan je denk.
Dat is een understatement, want ik denk niet zomaar aan je.
Ik denk aan je en stop maar niet met denken sinds die dag of avond of nacht dat de sterren binnen handbereik leken te liggen.
En ik denk dat jij weet dat ik aan je denk. En ik denk dat jij ook nog wel denkt aan mij, zo af en toe als je ’s avonds alleen ligt tussen koude lakens en de sterren zo ver weg lijken.
En ik denk dat ik gek ben en mezelf voor de gek houdt en jou voor de gek houdt.
En waarom? Uit ontkenning? Om me sterk te tonen? Om jou niet lastig te vallen? Om niet meer te hoeven vechten?
Ik heb geen traan gelaten voor je, maar diep vanbinnen bloedt mijn hart als ik je hoor, als ik je zie en je niet aanraken kan. Als je me als afscheid een kus op de wang geeft. Als die wang gloeit en ik niet weet of dat komt door het blozen door jouw verschijning of door de inspanning die ik zojuist deed, zo snel mogelijk fietsend van mijn thuisstek naar de bruisende stad, zonder voorlicht, om 11u ’s avonds en enkel maar om jou 10 minuten te zien en dan te liegen dat ik toevallig op een terrasje zat en het dus helemaal geen moeite was om even langs te komen.
Als ik het duistere steegje uitloop met een leeg gevoel, het beeld van jouw ogen, jouw lippen, die waanzin die brandt in mij en die niemand blussen kan, en ik me afvraag hoe ik daar belandde en ik sporen adrenaline en verdoken verliefdheid vindt in mijn geheugen.
En dat gevoel dat mij niet loslaat, en het gevoel dat jij niet loslaat en dat sterren zo dichtbij maar toch zo veraf lijken te liggen.
En dat het niet eerlijk is, maar alles illusie is en ik me dus geen zorgen hoef te maken, dat alles (of niets zo je wil) wel rond draait in eeuwigheid en leven slechts een grote leugen is.
Dat dromen even (on)echt kunnen zijn als illusionele realiteit en dat jij beide werelden mooier zou kunnen maken.
Uitgefietst.
Slaapwel.