amoris personae (VI-X)
VI
Waarom toch vervloek je die scherpe pijn geleden?
Ook ik ben al vaak door de ruwe hand van het lijden geslagen,
maar men kan de pijn haar bestaan toch niet verwijten?
Schik je in je lot of vervloek desnoods de oorzaak,
maar wanneer er brand woedt, straf dan de brandstichters
en niet de vlammen omdat ze het hout en je wonden likken.
Omarm het lijden, want enkel in pijn erkent men genot.
En kom nu, laat mij je troosten.
Kom, en laat ons verdrinken in die troost om het lijden,
en genieten van elkaar.
VII
De nacht valt.
In jouw ogen lees ik verlangen en angst.
In jouw ogen lees ik een eindeloos gedicht.
De nacht valt
Sta mij toe jouw dichter te zijn.
Sta mij toe naar de gezangen van de sterren te luisteren
en jou toe te dekken met een zachte woordenstroom.
De nacht valt.
VIII
Ik heb geen bloemen geplukt vandaag, om jou mijn liefde te tonen.
Ik heb geen cadeau gekocht.
Ik heb geen kaarsen aangestoken
en ook heb ik geen heerlijk maal bereid.
Ik heb geen gedichten geschreven vandaag, om jou mijn liefde te tonen.
Ik heb geen lied gezongen.
Ik heb geen brief geschreven
en ook heb ik geen muziek gespeeld.
Ik heb geen kus gestolen vadaag, om jou mijn liefde te tonen,
want uit angst kon ik het niet.
En morgen zal ik ook niets doen, om jou mijn liefde te tonen,
want uit schaamte zal ik het niet kunnen.
IX
Een voorbijganger zingt:
“Waar is zij?
Waar is zij die mij slaap beheerst?
Zij die in mijn dromen leeft?
“Hier”, denk ik: “Hier is zij.”
maar ik zeg het niet.
X
Een vis kijkt bewonderend naar een vogel die in de lucht danst.
“Vliegen”, denkt hij, “zou ik wel willen, maar ik kan het niet.
En bovendien, ik zou uitdrogen.”
Een vogel kijkt bewonderend naar een vis die door het water glijdt.
“Zwemmen”, denkt hij, “zou ik wel willen, maar ik kan het niet.
En bovendien, ik zou verdrinken.”
En dat, mijn liefste, is waarom mijn lippen nooit de jouwe raken.
En dat, mijn liefste, is waarom, in dromen, mijn lippen steeds de jouwe raken.