Oud Nieuw Jaar
ik ben een leugenaar voor mezelf
gefolterde geest, gebroken
en in deze donkere nacht vol
feestgedruis zal Eenzaamheid
mij overvallen en spoken
zullen vrijen in mijn bed
ik ben een leugenaar voor mezelf
gefolterde geest, gebroken
en in deze donkere nacht vol
feestgedruis zal Eenzaamheid
mij overvallen en spoken
zullen vrijen in mijn bed
In stromend water waad ik,
in jouw woelige rivier.
Ik wordt een bootsman, later,
en dan vaar ik hier
waar liefde woede is,
en woede wilde wateren.
XX
En als ik heen ga, kleed mij dan
met gewaden van vuur.
En kleed mij duurzaam en met liefde.
En als ik heen ga, kom met mij.
Wandel langs mijn paden,
stuur mijn rijtuig en vaar mijn boot.
En als ik heen ga, ga met mij.
Want liefde overstijgt de wereld
maar ik wil je niet verdrieten.
XXI
En als ik oud en versleten zal zijn,
zal ik mijn vel afwerpen,
om mij, naakt en in knokige botten,
aan jouw voeten te werpen.
Ik zal je smeken en weten dat,
heel mijn leven, gij mijn meesteres waart.
Want Liefde,
als ik oud en versleten zal zijn,
bijna blind en doof, zal ik zien
dat de liefde niet van mensen is,
maar de mensen van de liefde zijn.
XVII
Ik weet wel dat ik niets doe,
maar jij doet nog minder.
Want dit is wie Liefde is;
ze is een godheid die ons machteloos laat.
ze is de lucht die, als een brug, ons verbindt,
en de lucht die, als een muur, tussen ons in staat.
Ik weet wel dat ik niets doe,
maar jij doet nog minder.
Want dit is wie Liefde is;
het vuur dat ons voedt
en waaraan wij onze vingers branden.
En ik weet wel dat ik niets doe,
maar jij doet nog minder.
Want Liefde heeft ons hart gestolen.
XVIII
In dichte mist hul ik je.
Want ik wil je veilig stellen
en verbergen voor de buitenwereld.
Neen, ik kan het niet verdragen
als de ogen van een vreemde jouw lichaam betasten.
Neen, ik kan het niet verdragen
als je aandacht schenkt aan die hongerige wolven.
In dichte mist hul ik je,
en sluit je in mijn hebberige hart.
XIV
Ach schoonheid,
wat heeft de koude wereld je te bieden?
Wat kan zij jou anders schenken dan vervreemding
en vergankelijkheid?
Laat mij jouw beschermende armen zijn en laat ons
een kunstmatig schoonheidsparadijs bouwen.
We zouden de muren dieprood kunnen verven.
We zouden zijden lakens kunnen kopen en
platen kunnen draaien waarop we dag en nacht
de liefde bedrijven.
Bloemen zouden hier nooit verwelken.
We zouden geurende olieën kunnen verdampen
en altijd en overal kaarsen doen branden.
We zouden kunst kunnen kopen en
elkaar fotograferen en
tot in de eeuwigheid elkaar
voor de kille buitenwereld
verbergen in die illusie.
XV
Je negeert het lot.
Als toevalligheid regelmaat wordt en alles
in onze richting wijst,
waarom dan die tekens negeren?
Ik weet, je ben een vreemde.
Ik weet, ook ik geloof niet in voorbestemdheid.
Ik weet, leven is tegenstrijdigheid.
Maar voor één keer wil ik graag geloven
en jou de hemel beloven en
leven van het lot en lust.
XVI
Kom nu.
Want wat is leven meer dan zonde?
Waar stroomt de liefde nog, behalve in jouw bloed?
Waar nog leert men genot, behalve in zoete kwelling?
Kom dan.
Laat mij jouw wonden likken.
Laat mij jouw naakte huid beschrijven met rode letters van onkuisheid
en jou vervoeren naar een plaats waar extase bloeit in pijn.
Laat mij jouw ziel lezen met schuldige handen
die jouw gehavende lichaam betasten als een vers gedrukt boek.
Laat mij jouw zwarte ogen in kijken, fluister mijn naam
en tart onze demonen niet langer,
maar laat je meevoeren in die duivelse dans van genadeloze lust.
Kom dan.
Schenk je lijf aan onze liefde
en tril onder ons liefdesspel.
XI
Je zei dat als je de kans krijgt iets te veranderen in het leven,
je die kans met beide handen grijpen moet.
Vertel mij nu, mijn liefste,
vertel mij dat dit stilzwijgen geen verandering hoeft.
Een stem in mijn hoofd zegt mij:
“Dit is wat ik wil, deze afstandelijkheid, want enkel zo ben ik veilig.”
Een stem in mijn hart zegt mij:
“Dit is wat je doen moet, deze afstandelijkheid, koud en kil,
overbruggen met zachte kussen. “
Vertel mij nu, mijn liefste,
vertel mij dat dit stilzwijgen geen verandering hoeft.
XII
Ik las je een verhaal voor,
over een prins in een gouden kooi
en de schoonste onder de vrouwen
die enkel vrijheid kent.
Ik las je een verhaal voor,
en stiekem wou ik in dat verhaal kruipen,
zodat ik, als woorden, langs je oren bij je binnen kon sluipen
en mij nestelen in jouw vluchtig hart.
Ik las je een verhaal voor,
en mijn gedachten zijn net als die prins
in de gouden kooi
en jouw ziel is net als die schoonheid
die geen binding, enkel vrijheid kent.
Maar je snapt het niet en je slaapt.
XIII
De donkere nacht valt sluimerend over de moerassige vlakten.
De moerassige vlakte sluimert vallend onder de donkere nachten.
En in die vlakten staat een huis van licht.
En ergens in die donkere nachten ligt mijn lieveling te wachten
tot ik zacht haar ogen dicht
en zij rustig in kan slapen.