Feb 22 2007

Tweesprong

Lava

 

Hoe lang was het al geleden? Zeven of acht jaar misschien? Sinds die dag leek de tijd zo rusteloos voorbij te gaan. Dagen en nachten leken korter en langer tegelijkertijd. Ik leefde als in een roes. Mijn ziel was ik verloren, daar waar ik ook mijn laatste liefde verloren was; in een ver verleden dat even goed gisteren leek.
Ik sloot de deur van mijn appartement, en daalde de smalle trappen af. Toen ik buiten kwam, sloeg de kou mij in het gezicht. Ik huiverde even, zette snel mijn kraag wat rechter en ging op pad. Als een roofdier ging ik de nacht in. Sluipend, zodat de schaduwen die rondom mij oprezen mij niet op zouden kunnen slokken, en zoekend naar troost voor mijn kruimelend hart.
’s Nachts leek de stad heel anders als overdag. De grauwe steegjes leken nauwer, de intimiderende kantoorgebouwen groter, en de verkrottende huizen, die je hier en daar aantrof, nog meer verwaarloosd. Alsof de stad zich aanpaste aan degenen die haar op dat moment beleefden. Want op dit uur van de nacht trof men voornamelijk de verdorvenen van geest wakker aan. Zwervers die de automaten centers en winkelportalen bezetten met een kratje bier en wat sigaretten, waar ze de hele dag voor hadden lopen bedelen. Louche types die de straten afdwalen, kennissen wervend voor hun leger om vetes uit te vechten. Jongeren die zonder enige remmen hun puberverdriet wegdansen willen. Jonge knapen die zichzelf al zuipend de stoerste bewijzen, jeugdige meisjes die als sletjes in korte rokjes om bevestiging schreeuwen.
De glitter en de glamour van een stad bij nacht die kreunt onder de diepe bassen van de uitgaansbuurten en lijdt onder de verraderlijke stiltes in de banlieues.

 


Na een kwartiertje stappen bereikte ik mijn eerste tussenstop voor die avond: Café Noir, sinds jaar en dag mijn stamcafé. Niet dat ik daar mijn uren versleet. Neen, maar elke nacht was dat de eerste plaats die ik bezocht. Ik bleef nooit langer dan de tijd die ik nodig had om mijn nacht ritueel in te zegenen.
Ik duwde de zware deur open, ging binnen, en keek even rond. Binnen stroomden de rustige jazznoten van Chet Baker’s That old devil called love mijn oren binnen. De barman groette me met een korte knik. Ik stak drie vingers op, en meteen wist hij wat hem te doen stond. Ik zette me aan één van de houten barkrukken aan de toog, een beetje verwijderd van een kleine groep oude mannen, die rookten en bier zopen, terwijl ze zich tegen elkaar beklaagden over hun miezerige leventje. Afgezien van hen en een vrouw die rond de veertig moet geweest zijn, en stilletjes in een hoekje zat te staren met een halfvol glas en een fles rode wijn voor zich, bevond zich niemand in de kleine ruimte.
Ondertussen had de barman mij reeds drie borrelglaasjes, een zoutvaatje en drie stukken citroen voorgeschoteld. Op een elegante wijze schonk hij elk glaasje vol tequila.
Ik bedankte hem, deed een beetje zout in het kuiltje van mijn hand, nam één van de glaasjes in mijn ene, en een stukje citroen in de andere hand. Na eens diep in en uit geademd te hebben, likte ik het zout van mijn hand, goot de tequila naar binnen en beet met volle overtuiging in het zure vlees van de citroen. ‘Nummer één,’ dacht ik, ‘om te vergeten.’ Daarna volgde nummer twee, om durf te hebben, en nummer drie, om succes af te smeken.
Ik betaalde mijn rekening en verliet stilzwijgend de plaats. Buiten was er mist komen opzetten. De slierten vochtigheid dansten in het straatlicht en hulden de wereld in onwerkelijkheid. 
 

Het duurde niet lang voor ik aan mijn bestemming kwam. In het hartje van de stad schreeuwden de lichtreclames van de danscafés om aandacht en bezoek. The gate, Chemistry, Crush, Oblivion,… Allen braakten ze uitgelaten mensen en vlagen muziek uit, telkens hun deur geopend werd. Vandaag viel mijn keuze op Sinners, een alternatieve dance club die een industriële stijl uitstraalde. Ik ging binnen en liet mijn blik de ruimte rond glijden op zoek naar een prooi. Ik had een geoefend oog overgehouden aan al die nachten, zag meteen waar potentieel aanwezig was en waar niet. De laatste tijd was het maar zelden voorgekomen dat ik de avond zonder gezelschap afsloot.
Mijn oog viel op een meisje dat eenzaam aan de bar zat. Ze was fijn gebouwd, was gebruind, licht gespierd en had zwart, warrig haar en grote donkere ogen. Een zwart T-shirtje met enkele witte, vreemde tekens op, sloot zich om haar perfecte bovenlijf. De brede broek die ze droeg hing laag op haar heupen, waardoor de tattoo op haar linker heup zichtbaar werd. Het leek iets Arabisch te zijn, en nieuwsgierig kwam ik wat dichterbij. Toen ze merkte dat ik naar haar keek, knipoogde ik even en ging naast haar zitten.
Ook al was ik zo koud van hart, het versieren was ik niet verleerd, integendeel, ik was er steeds beter in geworden. Weinigen konden aan mijn zelfverzekerde houding weerstaan, ook al was die enkel een façade en deels tot stand gekomen met behulp van enkele tequila’s.
De lichten dansten rusteloos over de muren en de deinende hoofden, de muziek sloot zich als een luchtbel rondom de werkelijkheid en de bassen wekten verlangen op in ieders hunkerende geest. In haar ogen meende ik een zachte gloed van maanlicht te herkennen. “Je kweekt sterren in je ogen.”, fluisterde ik haar toe. Een mysterieuze glimlach speelde rond haar lippen. Ze bloosde toen ik haar indringend in de ogen keek. Haar vingers streelden met vluchtige bewegingen het glas martini dat voor haar op de toog stond.
Dit zat wel goed, nu hoefde ik enkel nog te wachten.

 


Ze viste de sleutels van haar appartement uit haar tas, en morrelde een beetje aan het sleutelgat. De alcohol had ons beiden in een lichte roes gebracht, net voldoende om de remmingen te breken. Ze liet me binnen en ik keek even rond. Dit appartement leek net hetzelfde als alle anderen. Zovele kamers had ik gezien, met zovelen de lakens gedeeld, en steeds was alles hetzelfde. Slaapkamer, nachtlampje, bed.
Ik duwde haar zacht tegen de muur, kuste haar hals, liet mijn handen over haar lichaam glijden en zocht mijn weg naar haar smalle heupen en brede broek. Even later lagen enkel onze kleren nog aan dat plekje tegen de muur, en woelden onze lichamen in het bed. Een ijle luchtstroom ontsnapte aan haar lippen toen ik het kuiltje tussen haar oor en kaakbeen likte, en vandaar de verkenningstocht verder zette. Ik schreef rode letters van onkuisheid op haar naakte huid, las haar lichaam met mijn bedreven handen, en verdreef zachtjes bijtend en klovend woorden van taboe uit haar geest. Ik ontdekte al haar diepten, likte al haar wonden, en stroomde als genadeloze lust door haar aders. Onze lichamen werden golven en stormden in een zee van wellust. De kamer kreunde en kraakte mee. Haar lijf trilde onder mijn aanrakingen, en mijn uitgehongerde hart schreeuwde van verlangen. Dit was de enige manier die ik kende om mijn koud en gebroken hart even te verwarmen. En in die naaktheid van huid tegen huid, dook ik onder in een universum van tijdloosheid. De muren dansten en sterren schoten door mijn hoofd, extase strooiend in al onze lichamen.
Maar toen ik mij losmaakte uit haar armen en viel, ervoer ik leegte. Die leegte die stiekem je lijf binnen sluipt, je plots bij de keel grijpt, je ziel meesleurt in een zwarte, razende tunnel en je lijf als leeg omhulsel achterlaat.
Toen mijn honger - niet zoals de honger veroorzaakt door een lege maag - gestild was, ging ik liggen. Ik nam een sigaret en zoog die zalige vernieling diep mijn longen in. Gedreven door mijn hartslag stroomde de nicotine mijn hele lijf door en nestelde zich op mijn netvlies, waar het trillende beeld van een vlieg op het grauwe plafond vervaagde tot een zwart geheel. Toen kwam er rust over mij. Mijn gelaat was uitdrukkingsloos en kende geen emoties of geweten meer. Ik was vrij van pijn. Althans voor even. Nu werd ik niet gebroken; ik brak.
De in werkelijkheid warme lakens voelden koud en klam aan, net zoals haar lippen nu, net zoals mijn leven en mijn hart. Koud en klam. Dit was geen plek om te blijven. Hier lag geen god tussen de lakens en ook hier rustte mijn hart niet.

 

 

  1. Ik kleedde mij aan en ging naar buiten. De nacht omarmde me als een gebroken kind, en de mist was nu een dikke brij geworden die langzaam door lucht dreef. Straten sloten zich rondom mij tot een wirwar van lijnen, een stad van chaos, de stad van dwalende zielen en verloren nachten.
    Hier wonen alleen de hopelozen en de verlorenen van hart.
    Na een uurtje bereikte ik mij eigen hol. Ik kuste de spiegel en mijn voeten, daar niemand anders zich voor mijn lichaam wierp of mijn martelaarsschap erkende. Met een mes in mijn hand vleide ik mij neer tussen de lappendekens op mijn beschimmelde matras. Ik wachtte op het rood dat mij weldra zou omsluiten en fluisterde: “Maanverlangen…Maanverlangen…” Buiten huilde een hond en je kon de ratten horen kruipen.
    Diezelfde ratten knaagden even later genadeloos aan mijn vingers en mijn tenen, maar ik werd het niet gewaar. Enkel mijn ogen leken nog te leven en staarden onophoudelijk naar de vergeelde foto aan de wand.
    Maanverlangen“, fluisterde ik. Ik sloot mijn ogen en ademde
    uit.  

 

  1. Ik kleedde mij aan en ging naar buiten. De nacht omarmde me als een gebroken kind, en de mist was nu een dikke brij geworden die langzaam door lucht dreef. Straten sloten zich rondom mij tot een wirwar van lijnen, een stad van chaos, de stad van dwalende zielen en verloren nachten.
    Doelloos zwierf ik rond. De witte substantie sloop mijn hersenen binnen. Straat na straat liep ik door, brug na brug liep ik over, gebouw na gebouw liep ik voorbij.
    ”Verloren,” dacht ik, “ik ben verloren.”
    Huilend stortte ik in elkaar. Ik voelde de kou mijn lichaam beetje bij beetje verkleumen. Ik vroeg mij af of het mijn hart was dat nu zo koud geworden was, dat het ook elk laatste beetje warmte uit mijn lijf zoog. Ik vond de kracht niet meer om mezelf recht te hijsen, ook al voelden de stenen ongelofelijk hard aan. In een laatste beweging draaide ik mijn hoofd wat naar boven, en keek naar de waas van licht ter hoogte van een – door de mist onzichtbare – straatlantaarn. Ik sloot mijn ogen en ademde
    uit.
    Toen ik mijn ogen terug opende, keek ik recht in het vriendelijke gezicht van een oogverblindend meisje. Langzaam sijpelde het licht mijn lijf binnen, en met dat licht ook een ander vreemd gevoel. Het was een gevoel dat ik al lang niet meer beleefd had.
    Warmte vleide zich zachtjes in mijn lichaam. In mijn tenen en mijn vingers.
    In mijn hart!
    ”Gaat het?”, vroeg het meisje.
    ”Ik…ik was verloren.”, stotterde ik.
    En bij mezelf dacht ik: ‘Ik was verloren, inderdaad, ik was…’
    ”Wel,” zei het meisje, “je ziet er maar beroerd uit, als je ’t mij vraagt. Zin in een kopje koffie om op te warmen? Ik woon hier net om de hoek.”
    Ik kroop overeind en volgde glimlachend haar deinende, rode krullen.