Zij was de dochter van Regennacht.
Dagenlang sliep zij tussen lakens van duisternis in haar kille torenkamer. Mist sloop langs de ramen naar binnen en kustte zachtjes haar wangen. Dauw nestelde zich als parels in haar wimpers. En de wind woei rusteloos in de langzaam dovende haard.
Toen een straal maanlicht haar gezicht verlichtte, verloren de sterren die haar aanschouwden een deel van hun glans. Zij schrokken immers, omdat haar aangezicht niet meer ivoorkleurig, maar blauw was. Geen subtiele blosjes sierden haar wangen. Geen ijle ademtocht bewoog haar neusvleugels.
Ach, wat hadden ze dan gedacht?
Haar was nooit een lang leven beschoren.
Zij was de dochter van Regennacht.
En toen werd Ochtendgloren geboren.