stom gedicht
mortaliteit
hier sterft nu
mijn verhaal
ik zet een nieuwe regel in
en daar ga jij mee aan de haal
ik zet een nieuwe regel in
en daar ga jij mee aan de haal
blaast dan bij nacht
mij adem in
en stampt uw laarzen
op de grond
begeeft u naar het front
waar vuur geen angsten kent
in rijen en grachten
zal ik gaan met u
dan zullen we de aarde proeven
en in de groeven
van mijn hart
zal ik verdriet begraven
ik sluip de nacht der nachten in
de muren druipen
lakens geuren van zwart vertier
mijn hart omvat gefluister
ik geef niets om de straatstenen
de lachen als ik struikel
het water kabbelt lusteloos
doch vlamt van vuur
een brug verhult de schaduw
en als ik val
dan stort ik
in eenzelfde tranendal
geen weg is mij ooit voorgegaan
ik vrees mijn toekomst niet
maar wat van mij geworden zal
als ik mijn schoon verdriet verkies
het is geen
slaap-nacht
slaap-zacht
in gedachten
en langzaam
wachten tot de
dag toestroomt
uit mijn ogen barsten dromen
die stiekem in gedachten komen
ik kan wel maar ik wil het niet
de dag
draagt nacht
in zich vandaag
de lucht
weegt zwaar
op mijn schouders
zelfs de wind
overstemt
het geluid
van mijn hartslag
ik ben enkel
ik in mezelf
vandaag ben ik
de wereld
die mij
bedreigt
circulatie
ik zoek mezelf
in eeuwige ruimten
en vind enkel jou
ik leef nog amper
de tijd haalt me in
je druipt van mijn muren
ik zie je ogen in de ruiten
je lippen in mijn kussen
hoor je stem in mijn hartslag
sloop mijn woonplaats
en sloop jezelf
zoete herinneringen
baren koude nachten
een waas van straatlicht
om me heen
een ijle luchtstroom
een aanraking waarin ik
jou aanwezig waan
ik drink verlangen
uit gebarsten glazen
adem jouw adem
met blauwgrijze rook
wat ben je meer nog
dan een vreemde
en de muren om me heen?
blad - boom
leven in een droom
ik v
a
l
herfst in mijn
hOOfd
vanavond legt de lucht haar duisternis
te rusten tegen de aarde
ergens ver weg
moet het nog
dag zijn
(het hemelgewelf is gelaagd vandaag)
voordat jij en
voor de wolken als een
waterval op de straat neerstorten
baan ik mij een weg door de stilte op de straat
voor de storm, en er na ook, er woedde onweer in mezelf
(ik ben een donderhoofd)
ik merk de onrust in mijn lijf
uitgestoten wezen van schaduw
ik voel het in mijn beenderen
dat de nacht mij niet mag
en de dag mij uitlacht
mijn gedachten hebben mij
nu reeds binnenstebuiten
gevreten, en toch ze zijn
het enige wat ik kennen kan
jouw liefde is als
transparantie
er wel of niet
ik voel niet wat jij ziet
ik durf mijn vingers
- en mijn handen
en mijn armen -
niet naar je uit te strekken
want ik ben bang dat ik
lucht
-in plaats van
licht -
grijp
en dat die
transparante diamant
slechts illiusie
blijkt